Hoe werd ik onderzoeker aan de Universiteit Leiden?

Het zal ergens aan het begin van dit millennium zijn geweest, in 2001, denk ik. Ik kwam toen een geweldig boek tegen, dat al langere tijd op de markt was: ‘Het Smoezenboek’ van Nico Scheepmaker. Ik genoot van de uitgebreide beschrijvingen van de soorten smoezen die Scheepmaker op zijn kenmerkende, humoristische manier beschreef, maar tijdens het lezen miste ik wat. Het stopte op het moment waarin ik dacht: “Ah, nu krijg ik wat meer achtergrond over het gebruik van dit soort smoezen te horen.” Hij deed het niet. Dat was het eerste moment waarop ik dacht: “Hm. Misschien moet ik dan zelf maar eens een keer het ultieme boek over De Smoes schrijven. Het boek dat alle smoezenboeken in één klap overbodig maakt.”

Nu had ik het nogal druk die tijd. De millenniumproblematiek was achter de rug, de wereld was niet vergaan, dus werd het tijd om achterstallig werk in te halen. Daarom besloot ik dat ik later, als ik tijd zou hebben, dat boek wel ging schrijven. Ik kocht meteen nog een paar andere smoezenboeken, ja sterker nog: ik kocht alle boeken over smoezen die toen op de markt waren, zes in totaal, en zette ze in de boekenkast, op de plank ‘voor later’. Welke boeken dat waren? Mijn boekenlijst staat onder ‘Links’ op deze site. Enkele van de boeken zijn zelfs nu nog te koop.

Ik woonde toen net nog in Alphen aan den Rijn en verhuisde naar Tiel. Tien jaar later verhuisden we terug naar Alphen aan den Rijn. En in 2018 verhuisden we binnen Alphen aan den Rijn naar een kleinere woning. De plank ‘voor later’ was inmiddels aanzienlijk gekrompen. Sterker nog: het bleef beperkt tot het stapeltje smoezenboeken. Aan de rest was ik inmiddels toegekomen.

En dan komt er een serie van toevalligheden, waar ik nog steeds met genoegen aan terugdenk. In 2019 kreeg ik van mijn internetprovider een aanbieding om voor een jaar gratis een website te claimen met de extensie ‘.site’. Dat was het moment waarop ik aan die smoezen dacht, en aan mijn plan dat inmiddels vastgepind was op mijn pensioneringsdatum. “Grijp de kans,” dacht ik, en ik registreerde smoezen.site. En dan gebeurt er toch iets met je. Met mij, in ieder geval. Het geeft een gevoel van verplichting. Dus begon ik maar aan de theorievorming. Omdat ik in een universitaire omgeving werkte, had ik vrij makkelijk toegang tot wetenschappelijke literatuur en al snel ontdekte ik dat niemand over de smoes schreef. In mijn volgende blogpost zal ik iets meer op de inhoud ingaan, maar laat het voor nu volstaan dat het mij behoorlijk veel zoekwerk kostte om aanpalende theorie te vinden die mij hielp om veel van de smoezen die in al die smoezenboeken stonden, te verklaren. Hoera!

Maar ik liep vast. Ik liep vast op een enkele smoes die ik meer dan vijfentwintig jaar geleden zelf aangehoord had, in een vriendengroep waar ik uitgenodigd was. Ook deze vertel ik inhoudelijk in de volgende blogpost, maar geloof me: ik vond geen theorie die het kon verklaren. Wat te doen? Nijver verder zoeken leidde tot een afstudeerwerk van een student aan de Universiteit Leiden over het leugentje om bestwil, of de ‘white lie’ zoals die in het Engels heet. Daarin zat niet de oplossing, maar de manier van denken, de wijze waarop over het leugentje om bestwil geschreven werd, gaf me het gevoel dat ik in die hoek verder moest zoeken. Het was, je raadt het misschien al als je ‘over ons’ op deze website gelezen hebt, geschreven binnen de afdeling taalkunde, vakgroep pragmatiek, bij professor Terkourafi . Dus wat deed ik? Ik schreef haar een mail. “U krijgt waarschijnlijk regelmatig vragen als deze, en als u niet geïnteresseerd bent, antwoord dan kort met ‘geen interesse’ en ik val u niet meer lastig, maar ik zit met het volgende: …”.
Ze reageerde.
Ze gaf enkele referenties die midden in de roos waren.
En ze vroeg om een gesprek, per Teams of Zoom.

Een dag voor het gesprek zei ik tegen mijn vrouw, deels voor de grap, deels serieus: “Zo meteen gaat ze me vragen of ik erop wil promoveren.” En verdraaid, dat deed ze. Ik vroeg haar of ik daarover mocht nadenken. Als je professor Terkourafi kent, vertel haar dan niet dat ik al vóór het gesprek besloten had dat ik dat zou doen als ze het zou vragen. Ik vond het alleen iets te gretig om tijdens het gesprek al ‘ja’ te zeggen. Dus gebruikte ik tijdens het gesprek een …
… nou? …
… nou? …
… inderdaad: een smoes! ‘Ik denk erover na’.
Niet eens een sterke smoes, vind ik.
Maar wel een heel geloofwaardige.
Toch?

Gaat dat ultieme smoezenboek er nog komen? Ik denk het wel; het is alleen verhuisd naar plaats twee in de prioriteitenlijst. Mijn proefschrift staat op één. En je weet: als maar een paar mensen begrijpen wat je opgeschreven hebt, kun je erop afstuderen; als alleen je hoogleraar begrijpt waar je het in hemelsnaam over hebt, dan kun je erop promoveren. Dat wordt dus niet de ideale tekst voor een ultiem smoezenboek. Maar bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik denk dat ik dat boek nog wel ga schrijven. Zodra ik ’s werelds eerste smoezoloog ben!

1 reactie op “Hoe werd ik onderzoeker aan de Universiteit Leiden?”

  1. Geweldig, de weg naar het onderzoeker zijn! Of eigenlijk ben je dat natuurlijk al, maar dit is een mooie (en curieuze) formalisering ervan, die veel mogelijkheden biedt.
    Merkwaardig dat de sociale wetenschappen ook nog niet een studie hebben gedaan naar smoezen e.d.

    Ik heb me ook aangemeld als lid van het forum. Benieuwd wat daar gaat gebeuren. Het kan ook mijn inzicht in taal en expressie verrijken.

    Succes!

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.